Nieuws | ‘Zeeuwse loonwerker richt zich op bioveehouderij’

Nieuws | ‘Zeeuwse loonwerker richt zich op bioveehouderij’

Pim Clotscher is, voor zover hij weet, de enige loonwerker die zich specifiek richt op de biologische veehouderij. Vanuit Sint Philipsland bedient hij een groot deel van Brabant en zelfs Vlaanderen. Er is werk zat.

Het gaat bij biologische teelt om de finesses. Dat is de stellige overtuiging en ook ervaring van Pim Clotscher. Als Fries in Zeeland werkte hij jarenlang op het biologisch dynamische akkerbouwbedrijf Wilhelminahoeve op Sint Philipsland. Daar staan ook zijn machines en voor dat bedrijf doet hij nog steeds het akkerbouwloonwerk.

De loonwerker uit Middelburg heeft zich vooral gespecialiseerd in biologische veehouderij. En daarin is hij uniek. ‘Zover ik weet is er geen ander loonbedrijf dat zich hier ook in specialiseert’, vertelt Clotscher. ‘De biologische veehouderij is een groeiende sector. Maar voor mijn eigen bedrijf is groeien geen doel op zich. Ik vind de kwaliteit van het werk het belangrijkst.’

Tot zijn klantenkring behoren vooral veel melkveehouders, maar er zitten ook varkens- en geitenhouders tussen voor wie hij granen, mais, voederbieten en zonnebloemen verbouwt. Daarnaast is hij teeltadviseur biologische landbouw bij Neutkens Zaden, een bedrijf dat zich sinds 2017 gespecialiseerd heeft in de biologische sector en mengsels op maat maakt.

Grasklaver

Het duurt volgens Clotscher voor omschakelende bedrijven wel even voordat ze de biologische teelt in de vingers hebben. ‘Klaver en vlinderbloemigen zijn in de biologische landbouw heel belangrijk. Ze vormen de groene motor achter het bedrijf. In de biologische akkerbouw wordt het geteeld als rustgewas. Omdat het gewas zelf stikstof bindt en niet bemest hoeft te worden, creëert het bemestingsruimte voor andere gewassen.’

Grasklaver moet volgens de loonwerker gezien worden als hoofdteelt en kent zeker ook moeilijkheden. ‘Starten met klaver is niet zo moeilijk, maar het behouden ervan wel. Om voederwaarde en smakelijkheid te behouden is een goed klaveraandeel van groot belang. Klaver slijt nou eenmaal, na een jaar of drie wordt het minder en in veel gevallen ben je de rode klaver na vijf jaar zo goed als kwijt. Misschien gaat het wel ten onder aan z’n eigen succes, doordat de omstandigheden te rijk worden en er te veel stikstof in de bodem zit. Dit is te voorkomen door structureel vruchtwisseling toe te passen met bijvoorbeeld graan, mais of voederbieten.’

Clotscher ziet ook veel gangbare bedrijven die experimenteren met klaver in gras. ‘Maar klaver slaagt alleen als je de bemesting aanpast. Een voorjaarsbemesting met drijfmest is geen probleem, maar snelle stikstof in de vorm van kunstmest moet echt vermeden worden. Daarnaast is het van groot belang om de juiste soorten en rassen af te stemmen op het gebruik. Zo zijn er weide- en cultuurtypen en tetra- en diploïdesoorten. Sommige soorten zijn persistenter en beter geschikt voor beweiden dan andere.

16 ton droge stof

Biologische maisteelt is volgens de loonwerker heel rendabel. ‘Anders dan veel mensen denken, kun je met biologische mais zeker zoveel opbrengst halen als met gangbaar. Wij halen ook 16 ton droge stof van een hectare. Dit komt door de veelal goede omstandigheden: een gezonde bodem en voldoende nutriënten. Dat heeft alles te maken met de vruchtwisseling die wordt toegepast. In de gangbare teelt wordt vaak jaar in jaar uit mais op hetzelfde perceel verbouwd. Biologisch komt de mais meestal na meerdere jaren grasklaver. Dat is natuurlijk een wereld van verschil.’

In de biologische teelt is vooral de onkruidbestrijding een grote uitdaging. ‘Het is belangrijk dat je er op tijd bij bent’, zegt Clotscher. ‘In de mais voeren we, afhankelijk van het weer en de onkruiddruk, soms wel acht bewerkingen uit om het onkruid mechanisch te bestrijden. Handwieden is meestal niet nodig. De complete teelt, exclusief het bemesten en het zaaizaad, kost mijn klanten tussen de 550 en 850 euro per hectare. Vaak krijg ik complimenten dat het er schoner uitziet dan op veel gangbare percelen waar chemische onkruidbestrijding heeft plaatsgevonden.’

95 pk voldoende

Clotscher maakt in zijn mechanisatiebeleid heldere keuzes. ‘Ik werk met licht materiaal, brede banden en een lage bandenspanning. Voor de meeste werkzaamheden heb ik dan voldoende aan een trekker van 4.500 kilogram met 95 pk. Alleen niet voor het ploegen, daarvoor gebruik ik een viercilinder met 150 pk. We zijn een beetje gewend geraakt aan groot materieel, terwijl dit in veel gevallen niet noodzakelijk is. Door het grote werkgebied en bijbehorend transport, wordt alles op een dieplader vervoerd. Ook dan geldt: hoe lichter hoe beter. Bovendien zijn lichte machines vaak wendbaarder en heb je minder bodemverdichting.’

De finesses zitten voor de loonwerker ook in de machines zelf. Hij laat een zelfgebouwde werktuigdrager zien met schoffelbalk tussen de wielen. Aan de achterkant van de trekker kan dan de Treffler-eg bevestigd worden. ‘Ik ben best eigenwijs, de standaardmachines zijn voor mij niet altijd goed genoeg. Het grote voordeel van deze werktuigdrager is dat je goed zicht hebt op het werk en dat je verschillende technieken kunt combineren in één werkgang. Je hebt met de schoffel tussen de wielen meer zicht en stabiliteit. Hierdoor kun je preciezer werken en is machinebesturing op gps eigenlijk overbodig.’

Doorzaaivrees

Clotscher werkt aan een nieuwe vinding. ‘Ik noem het een doorzaaivrees. Die moet uitkomst bieden voor het telen van grasklaver op percelen en in gebieden waar je niet mag of kan scheuren, zoals bij Natura2000- en veenweidegebieden. Op deze manier kun je de klaver in de sleuven opnieuw inzaaien, zonder dat je vooraf hoeft te ploegen. Zo kun je toch klaver inzaaien zonder te scheuren.’

Een andere finesse zit hem volgens Clotscher in de uitrusting van de maiszaaimachine. ‘Daar zitten speciale aandrukwielen op. Biologisch maiszaad moet je ondiep zaaien. Omdat er geen coating omheen zit, is het gevoelig voor kiemschimmels. Het zaad moet dus vlot ontkiemen en zo snel mogelijk boven staan. Met het aandrukwiel, ook wel te vergelijken met de duim van de tuinman, lukt het om ondiep te zaaien en het zaad toch goed vast te drukken in de vochtige grond’, legt de loonwerker uit.

Dit is volgens Clotscher ook de beste remedie tegen vogelschade. ‘Wanneer het zaadje goed vastgedrukt zit in de grond, kunnen kauwen en kraaien het zaadje niet boven de grond krijgen. Omdat er ondieper gezaaid wordt en omdat er nog allerhande mechanische bewerkingen volgen, is vlak ploegwerk en een goed zaaibed van groot belang.’

Clotscher ploegt ondiep met een ecoploeg en legt daarna in een aparte werkgang het land zaaiklaar. ‘Ik kies bewust voor een ecoploeg. Op deze manier hoef ik niet door de voor te rijden en de ondergrond te beschadigen met mijn wielen. Met ondiep ploegen houd je organische stof, bodemleven en nutriënten bovenin. Ik probeer zo ondiep mogelijk te ploegen, afhankelijk van de kering. In de praktijk varieert de diepte tussen de 10 en 18 centimeter.’

Bron: Nieuwe Oogst (9 december 2019)